Voortplanting bij het paard en hormonen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hormonen spelen een cruciale rol bij de ontwikkeling van een paard, zijn van invloed op het gedrag en bepalend voor de voorplanting. Dit geldt voor zowel merries als hengsten. Interne en externe factoren kunnen een hormoonhuishouding gemakkelijk uit balans krijgen. Drachtige merries vragen om andere aandacht. Een apart hoofdstuk is het hormoon insuline, dat de suikerhuishouding van een paard regelt. Omdat bij paarden insulineresistentie vaak voorkomt, en dit ver strekkende gevolgen heeft voor de gezondheid van het paard, krijgt het hier extra aandacht. Dit geldt ook voor PPID ofwel de ziekte van Cushing, waarbij de hormoonproducerende hypofyse te hard werkt.

Voortplanting bij paarden

Cyclus bij de merrie

Merries kunnen gedurende het hele jaar om de 3 tot 4 weken vruchtbaar (hengstig) zijn, maar het duidelijkst tussen de maanden februari en augustus als de dagen langer en warmer worden en de eierstokken actiever. De periode van hengstigheid duurt drie tot negen dagen. In de laatste dagen van de hengstigheid vindt de eisprong plaats. Dit is het moment waarop de merrie het meest ontvankelijk is voor de hengst en gedekt kan worden. Als er geen bevruchting plaatsvindt, vormen zich opnieuw eiblaasjes en start de cyclus opnieuw. Lees hier meer over hengstigheid bij de merrie.

Dekking van het paard

Voor de ontwikkeling van de merrie is het niet verstandig om haar vóór het derde jaar te laten dekken. De dekking kan via de natuurlijke weg of via kunstmatige inseminatie.
Bij een natuurdekking door de hengst zal de geur van een dek-rijpe merrie de hengst stimuleren. De hengst snuffelt aan de merrie, krult z’n lip (het ‘flemen’) en bijt haar in de hals. Als de merrie dek-rijp is, gaat ze voor hem staan, waarna de hengst haar bespringt. Het sperma blijft nog ongeveer twee dagen vruchtbaar in de merrie. In de natuur dekt de hengst de merries uit zijn kudde meerdere keren tijdens haar vruchtbare periode.

Dracht van het paard

Paarden hebben een draagtijd van 11 maanden en brengen over het algemeen één veulen ter wereld. Een merrie kan tot ongeveer twee maanden voor de geboorte gewoon blijven werken. Ze heeft dan wel extra voeding nodig, omdat in dit stadium van de dracht het veulen voor de groei veel voedingsstoffen nodig heeft. Ook de aanmaak van de vruchtvliezen, de vergroting van de baarmoeder en de ontwikkeling van het uierweefsel vraagt veel energie van de merrie.

Bevalling en geboorte van het veulen

Als een merrie gaat kegelen is dat een teken dat het veulen op komst is. Kegelen is de vorming van harskegels aan de uiteinden van de tepelkanalen van een drachtige merrie. Na de voorbereidende weeën wordt de merrie vaak zeer onrustig. Ze kan gaan rondlopen en gaan zweten. Bij de persweeën blijft de merrie meestal liggen. De vliezen breken en de weeën worden sterker. Als eerst komt de waterblaas die om het veulen heen zit naar buiten. Tot slot moet binnen enkele uren na de geboorte van het veulen de nageboorte komen.
De pasgeboren dieren staan binnen de kortste keren op eigen benen en zullen meteen daarna gaan drinken bij de moeder; een eigenschap die voortkomt uit het vluchtgedrag van de vroegere paarden.
Biest is na de geboorte de eerste moedermelk die een veulen drinkt. Biest is belangrijk voor een veulen, omdat deze melk zeer veel eiwitten en allerlei afweerstoffen tegen infectieziekten bevat.

Op eigen benen

Spenen ofwel het scheiden van de merrie en haar veulen is voor beide een stressvolle gebeurtenis. De meningen over wat de beste methode en de beste leeftijd van het veulen is voor het spenen zijn verdeeld. Er kan gekozen worden voor een abrupte scheiding en voor een geleidelijke scheiding, waarbij het veulen stap-voor-stap steeds langer bij de moeder wordt weggehaald. Onderzoeken wijzen uit dat een geleidelijke scheiding tot de minste stress leidt voor zowel moeder als kind.
Sommige fokkers kiezen ervoor om al op 4-6 maanden leeftijd te spenen, andere kiezen voor een oudere leeftijd. In de natuur verlaat een jong paard zijn of haar familiegroep op 1,5 tot 3- jarige leeftijd. Voorwaarde is wel dat het veulen al over is gegaan op gewoon voer.

Gespeende veulens worden vaak bij elkaar in een grotere groep geplaatst. Voor de ontwikkeling van hun gedrag is het belangrijk dat er in die groep ook voldoende volwassen paarden staan. Veulens hebben namelijk sturing en correctie van volwassen paarden nodig, en het lijkt erop dat er niet naar de oude, wijze dieren wordt ‘geluisterd’ als die met te weinig zijn. Dan vormen de jonkies hechte groepjes met hun eigen normen. Hoe minder volwassen paarden verhoudingsgewijs in een groep lopen, hoe groter de kans dat de jonge dieren op latere leeftijd agressief gedrag of afwijkend groepsgedrag gaan vertonen.

Hengst of ruin

Een ruin is een hengst waarvan de teelballen operatief verwijderd zijn. Deze medische ingreep wordt castratie genoemd. Hierdoor verliest de hengst zijn vruchtbaarheid.
Castratie wordt vaak uitgevoerd om jonge hengsten die niet geschikt zijn voor de fokkerij, makkelijker in omgang te maken. Zo blijven ze beter inzetbaar als een betrouwbaar werk- of sportpaard en worden ze minder afgeleid door eventueel aanwezige ‘hengstige’ merries.

Hengstengedrag

Het hormoon testosteron wordt geproduceerd in de testikels van het paard en kan bij de hengst leiden tot hengstengedrag. Hengsten kunnen hierdoor dominant gedrag met bijten, showgedrag en afgeleid zijn door merries, gaan vertonen. Dit hengstengedrag kan leiden tot problemen in de omgang met andere paarden of tot gevaarlijke situaties in de omgang met mensen. Castratie – de verwijdering van de testikels – schakelt de testosteronproductie uit, waarna de hengst doorgaans rustiger door het leven gaat.
Omdat testosteron ook zorgt voor de ontwikkeling van typische uiterlijke geslachtskenmerken zoals zwaardere bespiering en hals is het van belang de hengst niet op te jonge leeftijd te castreren.

Stress

Stress – zowel mentaal als fysiek – zorgt ervoor dat het hormoon adrenaline omhoog gaat. Dit hormoon zorgt ervoor dat je kunt vechten of vluchten. Bij stress wordt ook cortisol aan het bloed afgegeven. Deze hormonen adrenaline en cortisol hebben invloed op de oestrogeenspiegel en juist oestrogeen heeft weer invloed op de hormonale cyclus van het paard.

Kruiden in relatie tot voortplanting bij het paard

De volgende kruiden en mineralen hebben een positieve invloed op de hormonen en werking van de geslachtsorganen en het door hormonen beïnvloede gedrag: agnus castus (monnikspeper), cimicifuga racemosa (zilverkaars) en alchemilla vulgaris (vrouwenmantel). pulsatilla (wildemanskruid) reguleert de hormoonhuishouding bij het uitblijven van de hengstigheid. Sepia gruneris (zeekat) normaliseert de vrouwelijke geslachtsfunctie.